Comment

1. De weet-vloek

 
  • [source:accordion-source-1]

  • [source:accordion-source-2]

  • [source:accordion-source-3]

  • [source:accordion-source-4]

[[sourceblock:accordion-source-1]]

[[[https://images.squarespace-cdn.com/content/v1/5320ee57e4b053c8aceb664e/1774203674452-K664YGV7ZP8QV7HQZALW/dramatisch+beeld+met+typemachine.png]]]

Deze quote (of één van z’n vele varianten) wordt vaak (foutief) toegeschreven aan Ernest Hemingway. Het klinkt zo logisch: gewoon diep snijden en het succes lacht je toe. Pijnlijk ook. Brrr.

Nog zo’n gouden tip voor beginners — of vastgelopen pro’s (tevens de titel van een heerlijk boek over schrijven): bird by bird. Vrij vertaald: moet je een opstel schrijven over vogels? Schrijf dan ‘vogel per vogel’. Zin per zin. Oók weer makkelijker gezegd dan gedaan. Zelfs de twee mega-duidelijke stappen van het brainstormproces (eerst zoveel mogelijk ideeën noteren, daarna de goede weerhouden) verhinderen voor veel mensen niet dat ze dichtklappen; opgesloten in hun eigen hoofd. Ik was ook zo, net omdat ik veronderstelde dat ik al vrij was.


1.1 ◆ Gevangen, in een rechthoek van papier

Schrijven is zo menselijk als bloed. Maar het is ook méér dan dat. Het is een van de sleutels tot het succes van onze soort. Álle grote denkers sinds Socrates (die zelf berucht was om zijn wantrouwen jegens het schrift, en zijn voorliefde voor de mondelinge overdracht van informatie) gebruikten het schrijven als een manier om hun ideeën te ordenen; om uit te vinden wat ze nu écht dachten. Schrijven is in de eerste plaats een dialoog met jezelf.

Maar plaats een publiek bij dat onderonsje, en meteen begint die hele conversatie te sputteren. Want dat hebben die recentere grote denkers natuurlijk ook allemaal gemeen: we kennen hen, net omdát ze hun ideeën op papier konden zetten voor een breed publiek, en veel mensen hun teksten ook effectief hebben gelezen. Elk van hen moest die drempel over; de vrees voor de lege pagina. Van filosofen tot politici, juristen, ambtenaren, wetenschappers en kunstenaars. Allemaal worden ze gekenmerkt door hun schrijfkunsten. Ze gebruikten hun stem om hun kijk op de wereld vorm te geven.

En allemaal hebben ze gegarandeerd gesukkeld met die eerste kladversies. Geworsteld met de oneindigheid en de limitaties van die lege rechthoek die voor hen lag. Elke gedachte die ooit de wereld (zelfs maar het kleinste beetje) kon veranderen begon immers met dezelfde eerste stap: ze moest ter wereld komen. Uit het hoofd en op het blad. Niets pijnlijker dan ter wereld komen — behalve misschien nieuw leven baren.


1.2 ◆ De geboorte van de kramp

Over pijn gesproken, weet je waarom zovelen niet graag schrijven of krampachtig altijd dezelfde dingen herhalen? Omdat ons dat zo is aangeleerd.

Herinner je je nog de eerste keer dat jij een pen vasthield? Hoe compleet onnatuurlijk dat aanvoelde? Misschien was je ooit linkshandig en moest je (van de nonnen) leren schrijven met je rechterhand. Misschien had je niet de ‘juiste’ motoriek. Een bevend handje. Die eerste letters waren vrijwel zeker stuk voor stuk kleine kribbelende misbakseltjes. En dan begon het pas: spelling, zinsbouw, grammatica, stijlverfijning. Jarenlang leerde je dat er juist bestond, en fout. Dat de kwaliteit van je schrijfsels kon uitgedrukt worden in een cijfer. Dat de meesten een 6, 7 (soms 8) halen, en een 10 haast onbereikbaar is. Hoe verder je ‘t schopte in het schoolsysteem hoe hoger de lat ging. Tot je uiteindelijk al bijna een Hemingway moest zijn om die 10 te verdienen.

Ook nu nog; elke keer je een pen ter hand neemt hangt ze daar, te glimmen in de zon: de lat die jij onbewust hebt overgenomen. De verwachtingen van anderen. Van jezelf. De loodzware verantwoordelijkheid om iets goeds te schrijven. En nog veel erger: niets fouts.


1.3 ◆ Gedoemd om te falen

Er zijn eindeloos veel manieren om goed te schrijven, en slechts één die altijd mislukt. Hoe komt het dan dat bijna iedereen op dezelfde manier verkeerd schrijft? Antwoord: de menselijke psychologie.

Stel je even voor: je moet iets schrijven (wellicht ís dat al zo), en je loopt vast. Dit is wat er gebeurt onder jouw fronsende hoofdhuid:

Zucht. Je denkt diep na … alles wat het verhaal moet worden, flitst in een paar seconden door je hoofd. En daarna, nét als je je pen op het papier wilt zetten: niets meer. Een roestig kraantje in de woestijn waar nog niet één druppel uitkomt. Komáán! Denk je. Het lijkt wel alsof je zo’n grote boodschap wilt verkondigen dat je compleet geconstipeerd bent. Je kijkt rond. Doet wat ‘onderzoek’ op het internet. Maar veel verder dan je e-mails checken en wat afleiding kom je niet.

Anders wachten we gewoon even op inspiratie zoals alle andere mensen” fluistert je ego in je oor, in een goedbedoelde poging om je al op voorhand te beschermen tegen eventuele teleurstellingen. Of: “Mijn verhaal is nog niet volledig af dus kán ik het nog niet opschrijven!” Nog zo’n klassieker uit de boekenkast vol ‘verhaaltjes voor ‘t slapengaan’ die ons brein vertelt tegen de nachtmerrie dat het niet gaat komen. “Misschien moet ik eerst even iets anders doen. De inspiratie zal wel komen met de deadline.

Maar dan, als bij toverslag! Een idee. — Yes!! Toch talent!!! — Het is een mooi idee. Een prachtig idee, dat je pas wilt opschrijven nadat iedereen onironisch heeft gebogen voor jouw briljante vondst. Ondertussen blijft je blad leeg en gaat al je energie naar het verdedigen en toelichten bij elke frons die anderen je toewerpen. Ondertussen sluipt de deadline geruisloos dichterbij …

Vijf voor twaalf. Met veel tegenzin verschijnt er uiteindelijk dan toch een zin op je blad.Niet goed genoeg. Schrappen. Schrijven. Herschrijven. Her-herschrijven. Her-her-herschrijven. Her-schrappen. Bijna perfect. Nog een paar duidend aanpassingen. Wat je ook doet: géén tweede zin schrijven voordat die eerste perfect is.” De cursor van je tekstverwerker beweegt nerveus van links naar rechts. Letters verschijnen en verdwijnen weer. Heb je een fysiek blad, dan eindigt het vol kribbels.

Of erger zelfs: waarschijnlijk ben jij zo’n slimme, snelle denker met goeie punten op school. En doe je al die aanpassingen ‘wel even’ in je hoofd (kladbladen zijn immers voor beginnelingen). Netto eindresultaat: een bijna leeg blad. Maximaal potentieel, minimale duidelijkheid. Als een baby-tje, dat nog helemaal niets heeft bereikt.

Uiteindelijk is de laatste korrel uit de zandloper omlaag gevallen en sta je ervan versteld hoeveel je toch nog hebt neergeschreven. Maar maak je geen illusies. Datgeen jij zonet hebt opgeleverd lijkt minder op het sublieme idee in je hoofd, en meer op het gekrabbel van een amateuristische prutser.

Je ego is weer aan zet. Moeiteloos schrijft het een het hele roman. Hoe je “gewoonweg te weinig tijd hebt gekregen.” Of je publiek “gewoon niet ziet hoe geniaal je tekst eigenlijk is als je diep tussen de regels leest.” “veel wereldberoemde kunstenaars zijn immers pas na hun dood ontdekt.” (Of, laatst nog: “Grote verhalen worden door de fancommunity geschreven, niet de brontekst. Kijk maar naar Harry Potter of Star Wars.”) En gegarandeerd: “die domme opdracht dwong mij om dit gedrocht te produceren. — ik had gewoon meer vrijheid nodig.” Jammer hé, dat je hoofd altijd zo goed is in verhalen vertellen … achteraf?


1.4 ◆ Bedrogen door je eigen hoofd

Ons rationele denken is helaas niet het ministerie van Daadkracht, maar het persagentschap ‘Spindokter’ dat de feiten verdraait nadat we vrezen dat deze gebeurtenissen zouden kunnen uitlekken naar andere mensen.

We zijn veel driftigere, emotionelere wezens dan we graag toegeven. En onze zogezegd objectieve waarneming is een systeem van pijlsnelle voorspellingen en inschattingen (letterlijk: voor-oordelen) gebaseerd op de kennis die al zit opgeslagen in ons hoofd. Die kennis is daar ooit gekomen. Omdat iemand het ons heeft aangeleerd. Omdat we het hebben meegemaakt en er bepaalde lessen uit hebben getrokken. Of omdat we erover hebben gelezen, een video hebben bekeken, enz. De voorspellingen over de toekomst, worden gemaakt in het heden, met herinneringen uit het verleden. Dat is bij álle mensen zo. En voor zover we weten ook bij dieren (al weten we niet 100% zeker of zij, net als wij, ego-persagentschappen in dienst hebben). Het is gewoon je overlevingsmechanisme. Niks om je voor te schamen.

Maar vergis je niet: er zitten véél fouten en onvolledigheden in je herinneringen. Elke keer je iets niet helemaal begreep. Elke keer de uitleg niet 100% binnenkwam zoals bedoeld. En elke keer je nadien delen bent vergeten. Zelfs de zogezegd 100% objectieve exacte wetenschap is voortdurend fout, en werkt op aannames waarvan zelfs de helft niet is bewezen. Da’s nu eenmaal hoe het werkt.

Elke fout en onvolledigheid in jouw kennis, betekent nieuwe foute waarnemingen, nieuwe foute inschattingen en nieuwe foute reacties. Niemand kent de volledige waarheid. Zelfs niet over één minuscuul onderwerp. En áls de waarheid al ooit werd benaderd dan was ze complex, tegenstrijdig, richtingloos en potentieel gevaarlijk. Alles wat ons niet helpt bij dat voorspellen. En dus alles wat een verhaal onaantrekkelijk maakt voor een lezer.

Gevolg: wanneer de uitkomst van de voorspelling tegenvalt, schiet dat persagentschap weer in actie. Moeiteloos vertelt het je de eenvoudigste verhaaltjes en alternatieve verklaringen. Of ze nu kloppen of niet. Dat verklaart ook waarom honden (in de populaire cultuur), naast hun appetijt voor dikke, sappige postbodebillen zo’n onweerstaanbare drang hebben om kinderhuiswerk op te peuzelen. Waarom wijzelf prima chauffeurs zijn, maar anderen op de baan: clowns. Waarom één persoon nooit geen verschil maakt. Waarom binnenkort alles weer normaal zal worden. Waarom hard werken automatisch altijd gelijk staat aan een goed resultaat.

En waarom we zo graag geloven in talent. Talent, of het nu bestaat of niet, is immers het perfecte mechanisme om ervoor te zorgen dat jij al jouw energie steekt in zaken waarin jij bovengemiddeld goed bent — en niet je tijd verdoet met zaken waarin je nooit zal uitblinken. Een mythe zo oud als de mensheid. Goden geven giften. En als jij uitverkoren bent heb je het recht, nee de plicht, om ermee aan de slag te gaan. De vraag is alleen: hoeveel resultaat verwacht je, voordat je spreekt over (pril) talent? En als je als kind veel verhaaltjes hoorde, en er stukken uit naspeelde met je poppen, geeft dat je dan ook geen voorsprong? En noem je die voorsprong dan talent, of alleen maar voorkennis?

Denk even terug aan die ervaring van het schrijven die ik hierboven (bij puntje 1.3) beschreef. De universele teleurstelling, wanneer je sublieme idee voor ‘t eerst mismeesterd op papier verscheen. Is dát een teken van talent?!

We worden voortdurend teleurgesteld door onze veronderstellingen. En na de zoveelste teleurstelling volgt vaak de pijnlijkste conclusie van allemaal: “Misschien zit er dan toch geen Hemingway in mij.” Klopt. Hemingway was Hemingway; jij bent jij. Einde – verhaal. Dit is waar de meeste mensen hun pen wegleggen. Best begrijpelijk: hun ego probeert hen te beschermen tegen de pijnlijke, vernederende realiteit dat ze geen échte schrijver zijn. Maar ook heel jammer, want schrijven is iets van alle mensen, ‘die échte schrijvers’ bestaan niet buiten je hoofd, en als jij gelooft in de mythe van je eigen gebrek aan talent, is je stem gedoemd om altijd onderontwikkeld te blijven …


1.5 ◆ Álle … begin is moeilijk

Maar goed, we zijn hier al serieus afgedwaald … en jij bent nog fris. Je staat op het punt om te starten; wellicht heb je op dit moment nog helemaal geen (volledig) verhaal in je hoofd — hooguit een paar verwachtingen. Maar je moet érgens beginnen, dus, radicale suggestie; al is het maar alleen voor deze ene keer: noteer al eens wat je hebt.

→ Totaal geen inspiratie? Noteer dan “Ik heb op dit moment echt totáál geen inspiratie, help mij, brein. Ik kan alleen maar de hele tijd denken aan …” en kijk wat er gebeurt.

Vrijwel meteen merk je dat het opschrijven van je idee (of zelfs alleen maar je verwachtingen) iets geks doet met je hoofd:

  1. Eenmaal genoteerd vergeet je ‘t niet meer.

  2. Nu ja, het staat op papier. Je kan het altijd opnieuw lezen.

  3. Daardoor kan je het idee plots veel beter mentaal loslaten.

  4. Waardoor er ruimte vrijkomt voor je volgende gedachte(n). Sommige mensen noemen dat inspiratie. En wie dat zegt heeft volslagen gelijk. Als je niet in je hoofd kruipt, blijft je schoot open en kunnen de nieuwe ideeën er spontaan in vallen.

  5. Maar, nu je ‘t nog eens naleest besef je dat je idee véél onvollediger is dan je eerst dacht. Da’s heel normaal. Je hebt er immers nog niet heel lang aan gewerkt. Je idee is hooguit één (halve) oplossing die je brein zonet heeft gevonden, gebaseerd op iets wat je je vaagweg herinnert.

  6. Dat wil ook zeggen dat je idee wellicht al bestaat. Erger zelfs: je hoofd kan niets bedenken zonder gebruik te maken van je herinneringen. En wat we onthouden is altijd zo beperkt mogelijk — om energie en plaats in je hoofd te besparen. Da’s oké als het over momenten in jouw leven gaat (die kan immers gen enkele lezer controleren). Maar als je bijvoorbeeld een personage, concept of locatie voor de geest haalt, gebaseerd op iets uit een boek of film zijn je herinneringen niet de beste bron.

  7. Of eenvoudiger gezegd: je hebt datgeen wat je nu inspireert destijds niet volledig bestudeerd en bent al de helft vergeten. Als je dit idee nu neemt kan je hooguit een zwakke imitatie maken. Maar laat dat je vooral niet tegenhouden om er nog zo’n tiental te bedenken!


1.6 ◆ Schrijven zonder plan

Zo komen we aan bij de eerste echte stap van eender welk schrijfproces: laat je gaan. Verzamel alles wat je te zeggen hebt. Maakt niet uit of het goed is, of het past, of het origineel is, of het maar een half idee is, of wat je ermee gaat doen. Noteer, notéér, NOTÉÉÉÉÉR. Je hoofd is een rivier; gedachten drijven voorbij. Als je ze niet vangt op je blad zwemmen ze weer weg. En blijkt je vangst achteraf dan toch stront te zijn, dan heb je alvast mest in handen voor de vruchten van morgen.

Dus: jaag op elke zoete inval — gooi de papieren netten uit en grijp je pen stevig vast als een harpoen. Wees nieuwsgierig. En blij voor elk woord dat je ter wereld brengt. Proficiat. Jij bent nu officieel een schepper! Maar daarmee is de storm nog niet gaan liggen …


1.7 ◆ Goed materiaal is het halve werk

Voordat je op jacht gaat naar je volgende Moby Dick: misschien even praten over je uitrusting. Want welk materiaal je gebruikt heeft misschien zelfs evenveel invloed op je resultaat als je voorkennis en ruw talent. En in tegenstelling tot die laatste twee, kan je je uitrusting wél helemaal zelf bepalen. Schrijf je met een computer? Een chique Mac laptop? Liever een iPad? Of met een vulpen op papier? Of op een antieke typemachine? Of verkies je de ganzenveer? Ik zou zeggen: géén van al die opties.

Eigenlijk zijn er maar drie criteria die je echt kunnen helpen: gemak, bondigheid, en flexibiliteit. In een ideaal scenario noteer je in hoog tempo een massa ideeën. Zo zitten er haast onvermijdelijk straffe vangsten tussen. Daarom probeer je elk idee zo kort en duidelijk mogelijk te formuleren. Niet volledig en genuanceerd, niet creatief, origineel of slim. Gewoon: helder, functioneel; op naar ‘t volgende. Daarnaast wil je de plaatsing van je ideeën zo flexibel mogelijk houden. Een fout moet je kunnen verwijderen zonder littekens op je blad. Anders word je bang om fouten te maken.

Conclusie voor je materiaalkeuze: werk met een dikke stift op Post-its, memokubus-blaadjes of iets anders goedkoops waar je ‘r honderden van hebt, en waar stuk voor stuk weinig woorden op passen. Dit lijkt misschien banaal — zelfs verspilling van papier en tijd — maar niets is minder waar! Door jezelf te dwingen om elk idee als een los puzzelstukje te schrijven, geef je jezelf het ultieme creatief cadeau: het compleet gebrek aan een conclusie.

Geen oplossing, alleen maar spelen met het probleem. Een grote hoeveelheid hoeft niet accuraat te zijn, losse stukken kan je verplaatsen en korte briefjes dwingen je tot de essentie van elk los concept. Wil je toch meer schrijven? Vul verschillende briefjes in. En als nadien één klein briefje toch niet past kan je het zo weglaten, zonder dat de rest van je idee in het water valt. Dat geeft zelfvertrouwen.

Plus, zo’n grote stapel losse briefjes nodigt ook anderen uit om mee te kijken naar je puzzel. Dat lukt helaas niet wanneer de puzzel enkel in jouw hoofd ligt — en het lukt al evenmin met een half A4-tje waarop je wat onbegrijpelijke woorden en pijlen krabbelt . Laat je briefjes het verhaal vertellen; ook zonder jou. Veronderstel dat je dadelijk zal moeten doorschuiven, dat iemand anders je plaats komt innemen, en die zal moeten begrijpen wat jij zopas hebt geschreven. Leg je geheel van je briefjes op tafel en behandel ze als een proefopstelling waarbij je pijlsnel delen kan wegnemen en toevoegen zonder verplichtingen. Een altijd maar grotere stapel inspiratie en voorkeuren. Jouw persoonlijke speeltuin waaruit uiteindelijk het verhaal zal groeien.


1.8 ◆ En tot slot: laat de witte walvissen zwemmen

Sorry, ik dacht dat ik al alles gezegd had. Maar er is toch nog één stukje onmisbaar advies dat ik je wil meegeven. Als je merkt dat je verhaal zo persoonlijk is dat je ‘t niet durft te delen met anderen is het waarschijnlijk ongeschikt voor schrijfoefeningen. Als je start met het plan om een meesterwerk te schrijven zal je wellicht geen meesterwerk schrijven. Uitkomsten heb je niet onder controle. Je attitude daarentegen wel. Gebruik dus al je energie om jezelf te controleren, niet de wereld daarbuiten. Great ideas start small. Dat is geen observatie: het is een natuurwet. Complexiteit ontstaat pas als de som van vele eenvoudige dingen. Gelaagdheid ontstaat maar laag per laag. Meesterwerken ontstaan niet omdat de maker vanaf woord één de lat hoog legt, maar omdat die ongeremd kan beginnen.

Het is dan ook geen toeval dat je in schrijfcursussen vaak hele eenvoudige startpunten krijgt: “kies een postkaart of een foto, trek een paar woorden, schrijf zonder de letter ‘E’, zet alles op rijm, schrap woorden uit een bestaande tekst tot je nieuwe betekenis krijgt, enz.” Die halen je uit je hoofd en ze verlagen je verwachtingen. Als je jezelf minder belooft kan je altijd de verwachtingen overtreffen.

Onderschat ook het belang van tijdsdruk niet. Hoe vroeger die dreigende deadline ten tonele verschijnt, hoe sneller jij begint te schrijven. Maar zorg ook dat je voldoende tijd en ruimte kan nemen om lekker languit te prutsen.

Oei! Zie je ginds, die donkere wolken naderen? De échte storm moet nog beginnen … (want dit verhaal gaat verder bij puntje I.2 over schrijven om begrepen te worden.)

[[sourceblock:accordion-source-2]]

[[[https://images.squarespace-cdn.com/content/v1/5320ee57e4b053c8aceb664e/1774209732679-HXQVILOYZV8N0D4M63Z6/dramatisch+beeld+vervloekte+weegschaal.png]]]

Dus … je bent aan het schrijven en alles loopt prima. De woorden vloeien van je hoofd naar je briefjes. Een heerlijke dans met eigen onderbewuste. Maar gaandeweg begin je te beseffen dat je niet alleen schrijft voor jezelf. Straks moeten immers ook anderen jouw verhaal kunnen begrijpen … en da’s nog een heel andere kunst. Die van het communiceren. Enig idee hoe dat werkt? Ik zal het je verklappen. De basis van alle communicatie is dit zinnetje:

[[[https://images.squarespace-cdn.com/content/v1/5320ee57e4b053c8aceb664e/1774212512200-KNW5LA8JK3WEPGCF0JQ4/dramatisch+beeld+met+spreuk+v2.png]]]


2.1 ◆ Vervloekte kennis

Laat dat even bij je binnensijpelen. We kunnen nooit 100% overbrengen op anderen wat wij bedoelen. Hiervoor zijn er verschillende redenen, die allemaal komen bovendrijven wanneer je je verdiept in de donkere kunsten van de communicatie. Wij hebben het hier momenteel alleen even over de vloek die er rust op kennis. De zogeheten: ‘Curse of Knowledge.’

Eén van de grote ironieën in het universum is namelijk dat je door kennis te verzamelen je onwetendheid verliest. Dit lijkt misschien vanzelfsprekend maar dat is het niet. Wie iets weet, vergeet hoe het voelt om spontaan te leven zonder die kennis. Met andere woorden: je kan je niet meer inleven in iemand zonder die kennis.

→ Een voorbeeld: rij eens met motorpech een garage binnen en vraag nadien aan de automecanicien wat er scheelt. In een oogwenk krijg je een hele reeks woorden op je afgevuurd die je nooit eerder hoorde, of toch niet regelmatig zelf gebruikt. Enig idee wat een “joint de culasse” is, bijvoorbeeld? Voor de specialist zijn dit vanzelfsprekende woorden. Voor de leek vormen ze een drempel. Maar ook schijnbaar alledaagse termen — ‘uitlijnen’, bijvoorbeeld — hebben veel meer (of een heel andere) betekenis voor de specialist.

Met andere woorden: Je vergeet dat alles wat voor jou ‘evident’ is, voor een ander misschien volledig nieuwe informatie kan zijn. Je vergeet dat vóórdat jij dit wist, je ook gewoon een perfect functionerende persoon was. En daardoor denk je dat bepaalde informatie niet gegeven hoeft te worden “iederéén weet dat toch?”

“So what!?” Denk je dan. “Ik ben toch helemaal geen specialist!?” Helaas, zelfs als je de meest doodeenvoudige boerenjongen bent, die geen complexe uitleg over moeilijke concepten neerpent, maar gewoon iets uit z’n leven ligt die verdomde weetvloek op de loer. Jij bent altijd dé expert als het op jouw herinneringen en perspectief aankomt. En net dát maak van jou automatisch de allerslechtst geplaatste persoon om in te schatten of je publiek ‘het’ gaat begrijpen (toch als je jezelf als maatstaf neemt).

“Da’s typisch Lotte.” WAT, is typisch Lotte? Je publiek wéét dat niet, tenzij jij het hen vertelt natuurlijk.


2.2 ◆ Bezweren tegen onwetendheid

Maar wanneer je je bewust wordt dat dé hele werkelijkheid slechts jouw werkelijkheid is. Een verhaaltje is dat jouw brein je vertelt (door indrukken te combineren met voorspellingen (op basis van patronen die het meent te herkennen uit je herinneringen, zie 1.4)). En dat niemand kan inbreken in jouw schedelkluis om te achterhalen wat jij denkt — net zo min als jij de gedachten van anderen kan lezen — krijg je een nieuwe gelegenheid om nóg meer te noteren; al die dingen waarvan jij dacht: “ja, duh.”

Dus, eenmaal je alles hebt genoteerd wat je wilde zeggen. Ga dan eens na of je geen verwijswoorden gebruikt naar informatie die je vergat te noteren. Of dat je beelden oproept waarvoor iemand jouw specifieke kennis en herinneringen nodig heeft. Of eenvoudiger gezegd: noteer alles wat een leek nodig heeft om aan de slag te gaan met jouw woordensoep van losse kaartjes. Zeker — nee bovenal — de vanzelfsprekendheden.

[[[https://images.squarespace-cdn.com/content/v1/5320ee57e4b053c8aceb664e/1774216489241-PVYNLKNF9E1DWEZBL11K/dramatisch+beeld+met+schedelkluis.png]]]

Nog beter! Praat er eens over met echte anderen van vlees en bloed (of van cijfers en bits, dat mag desnoods ook als je er per sé A.I.’s wilt bij betrekken.). Iedereen bevat net als jij een heel universum. Een botsing tussen hun werelden en de jouwe kan je alleen maar verrijken. Neem hen mee doorheen je schrijfproces; toon je losse schrijfsels en observeer. Waar trekken ze vreemde gezichten? Welke delen zijn niet duidelijk? Het gaat hier voor alle duidelijkheid niet over meningen en smaak. Het gaat zelfs niet over wát ze je zeggen. Maar hoe ze kijken.

Heel vaak leer je al wat er scheelt aan je idee, nog voordat je één zin hebt uitgesproken; gewoon omdat je even andere ogen kreeg om te kijken naar je eigen werk. Dat zijn onmisbare perspectieven als je anderen wilt raken.


2.3 ◆ Geen scherven giftiger dan die van een spiegel

Natuurlijk is die hele confrontatie wel, euh … confronterend. Je hebt flink wat durf nodig om je werk in deze primitieve staat al te tonen. Toch is kiezen voor de (korte) pijn, bijna geen keuze. Want weten is altijd beter dan moeten veronderstellen. Je ego maakt zich sowieso al zorgen over je idee. Dus: stel het gerust met echte input van echte mensen, in plaats enkel te teren op veronderstelde horrorfeedback van de onbestaande karikatuurgriezels in je hoofd.

Weet ook dat je nooit verplicht bent om je idee aan te passen. Jij doet met de feedback wat jij wilt. Al kan het natuurlijk geen kwaad om de feedback gewoon eens uit te testen. Kennis is macht. Zo ben je zeker dat je de feedback echt hebt begrepen. En dat achteraf niet blijkt dat je mooie kansen hebt laten liggen. Door letterlijk te testen wat iemand voorstelt, ontneem je hen de macht over jouw waarheid en je emoties. Je creëert tijdelijk een realiteit voor hun input. En kiest nadien zelf wat je ermee doet. Want bepalen hoe jij je voelt bij jouw beslissingen, mag niemand doen behalve jij.

[[sourceblock:accordion-source-3]]

3.1 ◆ Stel … je vertrekt toch vanuit je publiek (niet jezelf)

Ik begrijp je, niet elke schrijfopdracht is vrijblijvend. Misschien lees je dit omdat je voor ‘t werk iets moet schrijven. Dat kan een speech zijn of een reclamespot. Of een opstel voor school (al zijn dit best veel lettertjes voor jongeren om te lezen en zijn het best volwassen inhouden waarbij het helpt als jij al weet wat water is). Of, misschien wil je een boek schrijven, en wil je een uitgever strikken.

Helaas … interesse kan je niet afdwingen. Wie interessant wil zijn moet eerst zélf interesse tonen. Zorg dus in de eerste plaats dat je een boeiend proces doormaakt voordat je je suf piekert over een verkoopbaar product. Ga leven! Pluk de dag! Maak dingen mee! Pijnlijke dingen. Mooie dingen. En zet je lessen van gisteren om in schrijfplezier vandaag. (Wie weet zelfs succes morgen. Al heb je zoiets dus nooit echt volledig zelf in de hand hé!)

Als het nog niet duidelijk was: Ik ben je hier feitelijk gewoon al de hele tijd nieuwsgierigheid aan het aansmeren, als het ultieme tegengif tegen verwachtingen. In puntje I.1 hadden we het over de gevaren van verwachtingen, en wat je kan doen om meer nieuwsgierig te zijn over je eigen ideeën. In puntje I.2 zagen we dat je zelfs niet kan verwachten dat anderen je begrijpen. En dat je dus beter te veel (eenvoudige) dingen opschrijft en anderen betrekt bij je idee, dan alles te lopen veronderstellen — waardoor je deze eenvoudige schrijfoefening nodeloos complex maakt in je hoofd.

Want hoe verlammend en torenhoog je verwachtingen ook zijn; als je nieuwsgierig bent is ALLES interessant. Zeker ook de tegenslagen. Het beroemdste voorbeeld is Thomas Edison, die niet ‘keer op keer faalde om een goed werkende gloeilamp te maken’, maar ‘systematisch alle materialen die konden dienen voor een gloeidraad testte en er zo honderden vond die niet werkten’.

Da’s echt het geheim: neem plaats in de passagiersstoel en het wordt allemaal jouw probleem niet meer. Het enige wat je hoeft te doen is: tijdens het bedenken weigeren om eigenaarschap te nemen over je ideeën, zo is het nooit jouw fout wanneer ze nog niet goed zitten. Ga niet op zoek naar ‘passend’ in je hoofd, maar probeer ALLES uit op papier.

In plaats van te hopen op straffe ideeën en de zoete inval van jouw grote gelijk, zet jezelf in het leven als een gestoorde professor die met schijnbaar willekeurige intuïtie allerlei elementen samenbrengt; puur om te kijken wat het effect is. En ook als je je werk toont: beschouw het publiek dan als proefdieren voor jouw nieuwste medicijn. Vinden zij ‘t niet lekker? Vertonen ze stuiptrekkingen? Dan is dat ‘fascinerend’ (en ben je compleet niet aansprakelijk voor eventuele bijwerkingen).


3.2 ◆ Waarschuwing – Boze geesten in de spiegel

Máár … zoals de titel van dit puntje al deed vermoeden, kan je dus ook ‘spookrijden’ (in de omgekeerde richting werken door bewust iets te maken, op maat van je publiek.) Al doe je dat nooit geheel zonder risico’s. “Kom, zeg! Hoe erg kan zoiets zijn?” Denk je dan misschien. Wel … je kan jezelf verliezen, opgesloten geraken in een onzichtbare gevangenis en spoken creëren die je soms járen blijven achtervolgen. Stuk voor stuk niet min. Ik leg uit.

Als je iets bedenkt, specifiek voor anderen (en je dus afhankelijk maakt van hun oordelen) is de eerste regel altijd: ken je doelpubliek. Liefst persoonlijk. Daarom helpt het als je zelf deel uitmaakt van de groep waarvoor je schrijft.

Heel empathische mensen kunnen gemakkelijk anderen aanvoelen en inschatten. Maar ook hun gave wordt aanzienlijk complexer als ze rekening moeten houden met een abstracte groep nog onbestaande toekomstige lezers. Daarom, nogmaals: kies voor onderwerpen en een publiek dichtbij jou. Mik niet op een internationale bestseller als je je eigen buren nog niet meekrijgt.

Hoe minder ervaring je hebt met schrijven: hoe meer de oude vuistregel “schrijf over wat je kent” als heel goed advies begint te klinken.

——— ⚠️ OPGELET! “Schrijf over wat je kent” betekent: je hobby, interesses, fascinaties, enz. Niét, een diep persoonlijke psychologische analyse of verwerking van jouw trauma. Meer daarover in 1.8. ———


3.3 ◆ Hoe succes écht werkt

Mik je toch op roem en faam; ondanks de vele maatschappelijke waarschuwingen? Oké. Dit is hoe je dat kan aanpakken. Niemand heeft interesse in ‘een kopie van’. En niemand wil iets wat te ver afwijkt van hun eigen verwachtingen. Dus beide richtingen werken. Van mainstream naar anders, of van anders naar mainstream.

Je kan beginnen als een variant op iets succesvols en dan héél strategisch afwijken op één puntje — hopend dat jij in de smaak valt bij hetzelfde publiek als jouw grote inspiratie. Veel pop-artiesten en filmsterren zijn ooit zo begonnen. Of, je kan meteen je ding doen hopend op de grote doorbraak.

Misschien is jouw perspectief effectief te nieuw voor een mainstream publiek. En zal je jarenlang fan per fan je publiek moeten uitbouwen en uitfilteren voordat er íets aan het rollen gaat. Of misschien maak je op en dag per ongeluk een virale hit nadat iemand invloedrijk het oppikt en ben je nadien vervloekt omdat je vreest dat je dat eerste succes nooit meer zal kunnen evenaren.

Wat je ook doet: wees zichtbaar en aanwezig voor zoveel mogelijk mensen. Ga voor een mediabedrijf werken met een groot publiek. Een omroep, een commerciële zender. Vertoef in de juiste kringen. Schud de juiste handen. Zelfs als je daarvoor jarenlang gewoon logistiek werk verricht (als roadie van je favoriete band, als boekhouder/muze van een schrijver, of als kunstenaar met een overdag-job.)

Er is een reden waarom veel succesvolle schrijvers, makers en kunstenaars zo vroeg (jong) beginnen. Ze richten zich tot mensen zoals zijzelf nét rond de leeftijd dat die fans ook het meest zoekende zijn. Zo vinden ze hun publiek dat met hen kan meegroeien. Gaandeweg kan je dan bekend raken bij nieuwe mensen gewoon omdat je al beroemd bent. En uiteindelijk vergroot je markt waardoor je vanzelf als een gigantisch bedrijf begint te denken. Plus, dat corporate denken vermindert dan weer je authenticiteit, waardoor verschillende van je eerste fans afhaken.

Om maar te zeggen: multinationals betalen miljarden aan PR- en reclamebureaus om eruit te zien als je toffe buur, waarom zou jij dan al op voorhand willen klinken als een multinational? Neem dus alsjeblieft niet de slechtste eigenschappen van je helden over, gewoon omdat die makkelijker zijn om te imiteren. Da’s een beetje alsof je favoriete schrijver die je elke keer raakt met diepe, persoonlijke teksten in jouw hoofd torenhoog boven jou staat; On-be-reik-baar goed . Op een dag leer je dat hij rookt. In een poging om meer op hem te lijken word je zelf kettingroker (en loop je rond met zo’n belachelijk sjaaltje). Ach ja, we zijn allemaal maar mensen hé. Iedereen is vatbaar voor onlogisch, magisch denken van tijd tot tijd.

3.4 ◆ High fantasy en pulpy science fiction

Vanop een afstandje lijkt jouw leven misschien te banaal als inspiratie, dus zoek je spektakel. Misschien droom je wel over een verhaal met een seriemoordenaar. Of een romance in een gangsterfamilie vol vampiers. Of een avontuur in een piratenschip 60.000 mijlen onder de grond. Of wil je iets doen met een dystopische toekomst of tijdreizen. Stuk voor stuk leuke ideeën. Maar wees ook niet bang om gewoon eerlijk te zijn met jezelf.

Die meer exotische genres zijn eigenlijk veel minder ver gezocht dan je zou denken. En veel verhalen die zich afspelen in ‘historische’ decors gaan eigenlijk vooral ook over vandaag. — Anders waren ze niet relevant voor hun hedendaags doelpubliek.

Wil je toch mensen begeesteren die echt ver van jouw leven (en leefwereld) staan? Doe dan je research; liefst in co-creatie en dialoog. Geen gruwelijkere afgang voor een schrijver dan wanneer je een groep beschrijft waartoe je niet behoort waarvan alle individuen zich gebruikt, foutief gerepresenteerd, en beledigd voelen door jouw bekrompen voortzettingen van bestaande clichés. Wees geen negentiende-eeuwse antropoloog die per ongeluk de eenentwintigste eeuw komt binnengestruikeld. (Dat heeft dan weer met dat veronderstellen te maken uit puntje I.2) DOE. JE. ONDERZOEK.

3.5 ◆ Schrijf altijd voor jezelf. Oók voor publiek

Toch gaat onderzoek, of schrijven over onderwerpen die je kent, alleen, je niet redden. Want er is ook nog een tweede regel die de spoken weghoudt: probeer niemand te behagen. Het gaat niet over smaak. Niet over de meningen van je docent, klant, baas of zogenaamde autoriteiten in je sector.

Niet dat je nooit zou mogen luisteren naar wat anderen je [letterlijk] zeggen. Het gaat ‘m hier vooral om wat ze nog niet gezegd hebben. Want het is waanzinnig gemakkelijk om met die levendige verbeelding van jou een monsterlijke kopie in je hoofd te doen ontstaan van de meest redelijke (of soms ook onredelijke) personen. Probeer niet grappig te zijn. Of slim. Of intellectueel. En al helemaal niet in de ogen van die door jou gecreëerde personen. Je wilt jezelf dan pijn besparen en gaat al op voorhand doen wat je denkt dat ‘zij’ willen lezen. Je gaat naar ‘hun’ pijpen dansen. Zo rem je je creatief proces en beetje bij beetje verlies je jezelf.

Natuurlijk kan je altijd wel gebruikmaken van wat je over hen weet, zolang jij er ook achter staat. Bijvoorbeeld als jullie allebei een passie voor donkere drama’s delen mag je daar volop gebruik van maken. Het gaat meer over jezelf censuur ontzeggen, niet jezelf ideeën ontzeggen (want da’s weer censuur natuurlijk).


3.6 ◆ Demonen op je schouder — juist en fout

Als je schrijft voor anderen, en informatie verzamelt, gaat het zelfs niet over (je suf piekeren over) “of je die informatie ‘correct’ weergeeft”. Want vergeet niet: alle kennis en bewustzijn komt met een prijs. ☞ Onzekerheid. Elke nieuwe les die je leert is ook een nieuwe eis waaraan je jezelf blootstelt. Als je bijvoorbeeld leert dat je doelgroep sterk feministisch denkt kan dit je weer bij elk idee doen twijfelen “is dit feministisch genoeg?” Of als je leert dat elke mop een set-up en punchline heeft (en schrijft voor een publiek van comedians) kan je heel makkelijk bij elke halve mop zeggen “er ontbreekt iets, niet opschrijven.” Ook dat fenomeen zou je dus een ‘Curse of Knowledge’ kunnen noemen. Al is dat niet wat die term officieel betekent.

Of, in extremis: hoe meer je weet, hoe meer je beseft dat je eigenlijk niets weet. En raad eens? Dat besef dat je eigenlijk maar een onwetende bozo bent werkt verlammend. Gelukkig is er een tegengif (helemaal uit het begin van dit puntje I.3) → verwondering. Dit is hoe het werkt:

  1. Je doet een beetje onderzoek en vindt een principe.

  2. Je maakt dan een eerste versie in een minimum aan tijd en moeite.

  3. Je noteert alles wat je denkt. Ook al is het niet perfect.

  4. Je vraagt je af: “wat als ik dit principe eens zou toepassen?”

  5. Je test het uit op een kopie.

  6. Je vergelijkt je kopie en je origineel.

  7. Je leert uit de vergelijking.

  8. Je kiest: teruggaan, nieuwe versie volgen, of iets anders proberen?

Alles wat je zo leert over je doelgroep geeft je inzicht in wat zij begrijpen. Hoe zij denken. En die informatie kan je letterlijk gebruiken. Het sleutelwoord is begrijpen. Je wilt te weten komen welke betekenis zij geven aan bepaalde woorden en beelden. Want als je bewust voor anderen schrijft zal jij betekenis voor hen moeten creëren. Met een duur woord heet dat: semiotiek. De studie van tekens en betekenis.


3.7 ◆ Binnenwegen – De code van het universum

Als je helemaal tot hier hebt gelezen verdien je een tweede pagina uit het verboden toverboek van de communicatie. Laten we eens kijken hoe betekenis ontstaat. Zoals je wellicht al weet heb je in het communicatieschema (van Shannon & Weaver) een zender die een boodschap naar een ontvanger stuurt. En als je bij puntje I.2 goed hebt opgelet weet je dat het onmogelijk is om te zeggen wat je bedoelt, laat staan op een manier die volledig begrepen wordt door je publiek.

Maar hoe komt dat eigenlijk? Waarom kunnen we nooit 1/1 onze ideeën overbrengen op anderen? Wel, omdat we onze boodschappen altijd via een medium of kanaal moeten verspreiden. Dat medium brengt de boodschap tot bij de ontvanger. Het medium is dus een soort van tussenpersoon of kanaal, waarlangs de communicatie stroomt van jouw hoofd als zender naar het hoofd van de ontvanger(s).

Maar een medium denkt niet zoals jij. Een medium heeft heel eigen regels en een canon aan tekens + verwachtingen die jij moet gebruiken om de boodschap over te brengen. Bijvoorbeeld: je denkt aan een bepaalde geur en wil die overbrengen in een gedicht. Maar gedichten bestaan niet uit geuren. Ze bestaan uit letters waarmee je woorden vormt. Die woorden kan je gebruiken om de geur te beschrijven. Maar het is nooit hetzelfde als de geur ruiken of hem herinneren.

Dus om je boodschap via een medium te versturen naar een ontvanger moeten we de boodschap coderen. De code leeft in het medium en wordt terug ontcijferd door de ontvanger. Een bekend voorbeeld van zo’n code is geschreven taal. Letters hebben een vrijwel universele betekenis (ten minste: als je het schrift machtig bent), maar maak de patronen iets complexer door er woorden mee te vormen en plots moet je niet alleen het schrift, maar ook de taal spreken. Vorm er zinnen mee en die betekenis wordt nóg een stuk complexer. En een pak persoonlijker.

Afhankelijk van de context en een hele reeks toevalligheden in je leven, kan het woord ‘vis’ je bijvoorbeeld aan je huisdier, voeding, zeewezens, iemand uithoren, of rotte stank doen denken. Hoe anders interpreteer je een uitdrukking als ‘fris aan de vis’?

☞ Alle patronen die je zo kent zijn jou aangeleerd. Ofwel door mensen, situaties of media.


3.8 ◆ Sluipverkeer via de grote banen van de popcultuur

Wat als je nu eens betekenissen kon hergebruiken uit je favoriete films of series? Of als je beroep kon doen op de specifieke betekenis van een woord dat je destijds in de klas hebt geleerd? Dat kan! En het is zelfs een heel slimme truc die schrijvers gebruiken om iets net niet helemaal te moeten uitleggen. Dit is hoe dat werkt:

Heel vaak consumeert eenzelfde groep mensen dezelfde of gelijkaardige media. Bijvoorbeeld: de lezers van een krant worden via die krant ook blootgesteld aan bepaalde intellectuelen en opiniemakers. Ook staan er in die krant boeken- en theaterrecensies (die veel lezers ook consumeren). De theaterstukken gebruiken de internationale actualiteit om klassieke theaterstukken (Shakespeare, Griekse tragedies, beroemde opera’s, enz.) te hercontextualiseren voor een modern publiek. De ‘klassiekers’ kreeg het lezerspubliek mee in hun studies, de actualiteit en duiding uit de krant. De theatermaker hoeft dus niet alles helemaal uit te leggen, want de meesten in de zaal zijn automatisch mee.

→ Of, een voorbeeld van een populaire subcultuur: fans van Manga kennen veel dezelfde artiesten, consumeren dezelfde Anime series, luisteren ook al eens naar K-pop of andere popmuziek uit die landen, bezoeken van tijd tot tijd een Comic Con of Facts, spelen wellicht (RPG) games, verzamelen Labubu’s of andere (Gashapon) collectibles. Enz.

Die verschillende media met eenzelfde of gelijkaardig publiek verwijzen dus vaak naar elkaar. Da’s gemakkelijk, zo hoeven ze niet telkens die hele curse of knowledge te overwinnen. Ze gebruiken een shortcut (binnenweg): je kennis van de patronen uit het ene medium in het andere. Dat fenomeen noemen we intermedialiteit. Of ze gebruiken binnen eenzelfde medium verwijzingen van de ene tekst naar de andere (in dat geval spreken we over intertekstualiteit).

→ Bijvoorbeeld: in de krant schrijft men over een kafkaëske situatie in het parlement vanmorgen. Ze veronderstellen dat hun lezers bij dit woord een beeld kunnen vormen, want Franz Kafka da’s voor hun lezers ‘basiskennis’.

En iemand met een beetje kennis van anime herkent meteen dat beeld van een blauw voorhoofd en grote witte ogen met piepkleine donkere pupillen 😱. Of de hartjes in de ogen van een personage dat net iets heel schattigs heeft gezien 😍. (het gebruik van deze tekens binnen de anime is intertekstualiteit, het gebruik van deze tekens in emoji op de computer is een voorbeeld van intermedialiteit.)

Daar kan je als schrijver dus ook gebruik van maken. Soms is die (sub)groep met dezelfde kennis zodanig groot (bijvoorbeeld mensen in Westerse landen hebben doorgaans een minstens oppervlakkige kennis van sprookjes, of iedereen met een kantoorjob is bekend met vergaderzalen, presentaties, waterkoelers/koffie-apparaten, … of ‘iedereen’ is toch bekend met filmklassiekers als The Matrix, Harry Potter, Fight Club, Die Hard, Jurassic Park, Jaws of Disneyfilms — ook al heb je die specifieke films misschien zelf nog niet gezien) hetzelfde geldt voor series (The Simpsons, Friends, #LikeMe, Game of Thrones, enz.), boeken (wie heeft bijvoorbeeld Mary Shelleys Frankenstein echt gelezen?), games (ook niet-gamers kennen Minecraft, Call Of Duty, Fortnite, Roblox en Lara Croft) dat fenomeen noemen we monocultuur.

Maar let op: in deze tijden van on-demand mediastreaming waarbij algoritmes ons sorteren in groepen (in tegenstelling tot een bevolking die elke avond voor de televisie kruipt en allemaal naar dezelfde programma’s kijkt) kan je daar als schrijver veel minder op vertrouwen. Kennis over jouw publiek hebben blijft dus heel belangrijk. De semiotische tekens die je kan gebruiken om een binnenweg te nemen kunnen je immers veel uitleg of ‘expositie’ besparen.

→ Misschien wel het bekendste voorbeeld van media die beroep doen op monocultuur zijn de reclamemedia. Advertentieruimte is immers duur, en kort, waardoor de adverteerder in zeer weinig tijd ter zake moet komen. Bovendien willen merken een zo groot mogelijke groep consumenten aanspreken. Daarom zie je in reclames veel monoculturele verwijzingen. En daarom zijn ze uitstekend semiotisch studiemateriaal.


3.9 ◆ Genres, tropen, archetypen en clichés

Meer nog dan specifieke verwijzingen maak je als schrijver gebruik van onderdelen die bekend in de oren klinken van je publiek. Bijvoorbeeld spreekwoorden, uitdrukkingen, metaforen, McGuffins, werelden, archetypen (bepaalde personages). We kunnen zelfs nóg verder gaan en concluderen dat de meeste personages in álle verhalen hun oorsprong vinden in de archetypen van C.G. Jung (véél boeken over storytelling doen dit). Iedereen kan zich bijvoorbeeld een bepaald beeld vormen bij een trickster, of een held, of een veroveraar — zelfs een louche tweedehands autoverkoper.

Ook genres hebben hun eigen archetypen: bepaalde soorten helden, schurken, locaties, conflicten, enz. Dit noemen we tropen. Als bepaalde tropen of verwijzingen te veel worden gebruikt spreken we over clichés. Tropen kan je vrij gebruiken, clichés ook (al kan je bij clichés extra punten scoren door ze net op hun kop te zetten). Soms is de lijn tussen een troop en een cliché wat onduidelijk. Met name bij een publiek met hoge mediageletterdheid en vaste fans van een genre, bijvoorbeeld horror, historische drama’s of true crime.

→ Neem bijvoorbeeld horror: de eerste keer dat je een sadistische seriemoordenaar ziet die overdreven kunstwerken maakt met stukken van zijn slachtoffers om een boodschap de wereld in te sturen over decadentie, of dankbaarheid denk je misschien ‘wauw, goed gevonden!’ maar een beetje horrorfanaat doet dat al snel denken aan films als Se7en, de Saw franchise, misschien een bepaalde antagonist in de serie Dexter (seizoen 6) enz. Niks mis mee, maar dan is de vraag wat jij met dat cliché doet.


3.10 ◆ Tekens en betekenis … méér lezen

Hoe tekens juist leiden tot betekenis weten we niet exact (evenmin als we exact weten hoe een A.I. denkt). Maar er zijn wel enkele belangrijke theorieën: bijvoorbeeld de semiotische driehoek van Pierce, of connotatie denotatie van Roland Barthes. Heel interessante materie om je in te verdiepen. Maar voor deze cursus nét dat beetje te complex. Weet gewoon dat wij allemaal snelkoppelingen en binnenwegen maken via symbolen, genres, tropen, archetypen, clichés en andere verwijzingen. En dat je de curse of knowledge kan verschalken door er bewust gebruik van te maken.

En moest het je toch interesseren: google ze eens. Bekijk wat filmpjes op YouTube. Of praat erover met je A.I.


3.11 ◆ Vloek verbroken?

Zo, dat was onze eerste stap. Noteer alles, verwacht niets. Maak het je gemakkelijk zodat je snel veel volume produceert. Als het niet op tafel ligt telt het niet mee. Werk op kleine kaartjes met een dikke stift. Leg bewust een onvolledige puzzel. Voeg die stukken toe waarvan je dacht dat ‘iedereen dat toch wel weet’. Praat met je doelpubliek. Wees verwonderd. En gebruik bewust binnenwegen met tekens waarvan je weet dat je publiek ze zal begrijpen. Degene waar je sowieso al aan dacht, en degene die je bewust kiest omdat je hen een beetje kent — omdat jij ‘hen’ bent, omdat je schrijft wat je kent. Da’s alles. Gewoon je hart luchten op papier. Eén van je (metaforische) slagaders openen en alles wat naar buiten gutst opvangen met kleine stukjes papier.

Als alles goed is gegaan heb je nu in plaats van een beetje chaos in je hoofd een HOOP chaos, op papier. Hoe voelt dat? Bevrijdend? Confronterend? Rommelig? Onzeker over hoe je hier nu een goed verhaal mee maakt? Prima! Blijf nog even hangen (herlees delen of bekijk het stappenplan), kom hier zo vaak terug als je wilt, en wanneer je klaar bent voor de grote opkuis zien we elkaar bij stap II.

[[sourceblock:accordion-source-4]]

  1. Neem losse notitieblaadjes (een memo-kubus, kleefbriefjes, archiefkaartjes, enz.)
    ~

  2. Noteer element per element (doorgaans één element per blaadje) je hele idee. Alles waaraan je denkt.
    ~

  3. Hou het eenvoudig en vertrek vanuit jezelf.
    ~

  4. Of doe grondig onderzoek naar je materie.
    ~

  5. Vraag anderen om je idee te bekijken. Leer uit hun spontane reactie.
    ~

  6. Vul aan wat voor hen niet duidelijk is. Op méér blaadjes.
    ~

  7. Zorg dat je publiek alle informatie heeft die die nodig heeft om jou te begrijpen. Let op met verwijzingen en veronderstelde kennis.
    ~

  8. Maak gebruik van dingen die je publiek al kent (monocultuur, groepsspecifieke kennis, enz.).
    ~

  9. Welke shortcuts kan je gebruiken? (spreekwoorden, uitdrukkingen, tropes en genreclichés, archetypen, enz.)
    ~

    → Noteer zoveel mogelijk losse puzzelstukken voor later in je proces.


Comment