Blauw
Tik. Tik. Tik. Een voor één slippen de seconden genadeloos uit je handen. Twee stalen wijzers bewegen zich met Zwitserse precisie, knippend richting je frèle levensdraadje. Wat volgt is een waas van bevroren ogenblikken waarin de wereld aan je voorbijflitst. Je voelt je piepklein — als een vlieg die wanhopig de noodlottige uithaal van de boze wereld rondom zich ontwijkt. Slow. Motion.
Je longen staan in lichter laaie. Elk van je benen voelt tien kilo zwaarder, en vijftig jaar ouder dan daarnet. Komáán! Nog eeeeeven. Je duwt je logge lichaam vanaf je linkerhiel bijna een meter vooruit en zes centimeter omhoog, in een slap boogje. Je andere been maakt zich klaar om dadelijk hetzelfde offer te brengen. Alles rammelt. Je botten kraken. De laatste honderd meter liggen voor je.
‘Hopelijk’ nog op tijd. “Pfff … hoop. Ik háát hoop.”, denk je. Niet toevallig van alle kwaad op de wereld was het net de hóóp, die achterbleef in die … doos … van dat meisje. Hoe heette ze ook alweer? Pando-mino of zo? Dora- … nog iets? Griekenland. Vakantie? Nee, langer geleden. Wat kraam ik hier allemaal uit? Mijn brein is gefrituurd; ik kan niet meer helder denken. Enfin: hoop. Hopen op het beste. Tegen beter weten in. Alles doet pijn en da’s allemaal de schuld van die verdomde hoop. Wat doe ik mezelf toch allemaal áán? Aán … Aan … aan … weergalmt het in je hersenpan. Anderzijds, als er geen hoop was lag je nu, waarschijnlijk, nog in bed. Mmm … Bed. Je verlangt VURIG — maar je mag niet opgeven; niet nu. Anders is dit allemaal voor niets geweest.
Het fluitje van de conducteur weergalmt in de verte. Even lijkt er niets te gebeuren, maar dan hoor je dat vreselijk piepgeluid van de deuren. Alsof er een kuikentje gekeeld wordt. Nog een laatste sprintje. M’n tank kan onmogelijk nu al leeg zijn. Denk je. Nog een páár druppeltjes energie. Ik moet en zal deze pompoen tot aan de waterput dragen. Die begint hevig te stomen. Klaar voor vertrek. De deuren van het putdeksel sluiten. Z’n roestige wieltjes komen in beweging. Rollend weerklinkt het zware metaal over de ijzeren spoorlijnen. Neeeee! Dit was de laatste waterput richting mama vanavond. Als zij haar pompoen niet heeft voor middernacht dan …
De grond verdwijnt onder je voeten. Je valt achterover. Badend in een meer van maanlicht-overgoten angsten stel je plots vast dat je eigenlijk al uren op je drijfnatte rug ligt. Piep. Piep. Piep. Een wekker. Jóuw wekker. Was het allemaal maar een droom!? Oh gelukkig! Terug op de vaste grond in de echte wereld, waar de dingen steek houden. Gek hé? Hoe in je dromen alles —zelfs klinklare onzin — altijd zo belangrijk lijkt te zijn … ?
Terwijl je herinneringen aan de pompoen en mama’s nachtelijke waterputtrein zachtjes uit je hoofd glijden draai je je nog een keer om. Eigenlijk wil je wel weten hoe het afloopt. Ik bedoel: wat moest mama in vredesnaam met die pompoen aanvangen? En dan nog vóór middernacht? Zou mijn droom een deel twee hebben? “The Empire Strikes Back With A Pumpkin For Mom.” Of zo? Ik kan niet wachten. Oogjes toe en 1, 2, 3 …
Piep. Piep. Piep. OH NEEEEE. Zesentwintig minuten voorbij die ik nooit meer terugkrijg. Vervloekte snooze-knop!!! Erger: vandaag is maandag en iedereen weet wat dat betekent: school-dag. Pfff. Sto-ry-tel-ling. Kan ik skippen? Goh, ‘kweet niet. Eigenlijk is dat wel tof. En ’t is op punten. Vooruit dan maar. Hop! Lakens open. Eerste been begeeft zich richting vloer. Tenen verdwijnen in pantoffels. Voeten verlaten je slaapkamer.
Niemand te bespeuren in de gang, dus waag je ’t erop: vluchtig even je neus drukken tegen je oksels. Ja hoor, tijd voor een douche! Of ja, géén tijd eigenlijk. Dan maar snel een vochtig washandje met wat zeep tegen de ergste bacteriën. Enkele schrobbewegingen later hangt je droge handdoek vol schuim. Had ik moeten spoelen? Misschie…Geen tijd! Je graait naar het metalen busje op je tablet en ontketent een stortbui van chemicaliën. Aaaaah … Opluchting. Nog tien minuten over. Snel even kleren aan en hup naar ’t ontbijt.
Je strompelt tot aan de ontbijttafel waar ‘mama’ je aankijkt met een zichtbare frons. Niet per sé boos, maar duidelijk teleurgesteld; geenszins verrast ook. Je maag rommelt iets onbegrijpelijks. Alsof die je wil vertellen dat je net een beschuldiging hebt geïncasseerd. Had ik die pompoe… nee … dát is het niet. Deze blik is minstens een paar dagen ouder. Die blik! Ik KÉN die blik. Wij twee hebben hier al eens gestaan. Ze zit … in de acceptatie-fase! Zij en ik weten allebei dat deze puber wellicht nooit meer aan de ontbijttafel zal verschijnen op een redelijk uur. Je ziet die wieltjes in haar hoofd gewoon draaien: “Zo’n twee schrale boterhammen met choco zijn toch geen ontbijt, zeg!” Ja mama, je ontbijt overslaan heet tegenwoordig ‘intermittent fasting’. Kom zeg. Get over it, mom!
Je neemt je rugzak, zwaait je been over het zadel van je fiets en vertrekt. Doorheen je hoofdholten weerklinkt een podcast. True crime. Even heerlijk ontspannen na die stresserende ochtend. Het drukke verkeer verdwijnt voor je oren en een diepe, trage stem beschrijft hoe Cindy Crawler, een veertienjarig slachtoffer zich ademloos in een smalle kast verstopte, smekend, dat die voetstappen op de trap niet nóg dichterbij zouden komen. Puur genieten! Maar terwijl je gewoon in de frisse ochtendzon fietst, merk je toch ook dat je je eigen adem inhoudt. Je vingers knijpen witter om het stuur. Je hartslag versnelt. Wat een gek gevoel; een angstaanval … terwijl het zonnetje schijnt!
Die Cindy is nog niet eens goed en wel in één of andere betonmolen verdwenen, of jij verschijnt al aan de schoolpoort. Daar zie je Thomas staan. Hij glimlacht. Ver-dacht! Want jij weet beter. Je herinnert je nog levendig de screenshot, gisterenavond in de WhatsApp-groep van de klas. Een uit de hand gelopen roddel over hem en het schoolfeest. Je kent Thomas eigenlijk best goed, toffe gast. Maar als je nu naar hem kijkt, zie je niet meer gewoon ‘Thomas’. Je ziet vooral wat er over hem verteld wordt. De onzichtbare wolk van die roddel hangt om hem heen en bepaalt precies hoe iedereen op de speelplaats hem vandaag aankijkt. Een paar getypte zinnetjes van gisteren en een screenshot, meer is er niet nodig om iedereen ook jij wandelt in een grote boog om hem heen.
Wat later begint de workshop en je krijgt een vreemd 3D-brilletje. “Vandaag duiken we wat dieper in de multidimensionale wereld van verhalen,” zegt de begeleider. Het zal allemaal wel. We puzzelen en schuiven. Een voorspelbare groepsdiscussie. En dan moeten we plots ons éigen verhaal gaan schrijven.
Shit. Je staart naar een leeg, wit vel papier. Je hoort de pennen en toetsenborden van de andere deelnemers ritmisch bewegen. “Zij hebben zoveel meer talent dan ik.” Zij schrijven vlotte dialogen, jij tuurt naar een knipperende cursor in je hoofd. “Ik ben gewoon niet creatief,” zeg je streng tegen jezelf. “Ik ben de chaotische puber die zich verslaapt en het ontbijt skipt.” Tergend traag verschijnen er toch wat woorden op je blad. Maar heel goed zijn ze niet. Misschien heb ik gewoon niet de juiste fantasie.
Na een lange, pijnlijke confrontatie met je eigen zwaktes, plof je ’s avonds in de zetel. Even een paar afleveringen van je vaste serietje op Netflix bingen. Ondertussen wat YouTube-gamers volgen op de tablet. En ondertussen een eindeloze barrage aan TikToks naar binnen duimen met de smartphone.
Maar om de één of andere reden voelt het anders nu. Terwijl het koude licht van drie verschillende schermen over je gezicht flikkert, is het alsof je voor ’t eerst écht wakker bent. Alsof je onderweg ergens een paar nieuwe ogen hebt opgepikt. Je voelt je een dreuzelkind dat net ontdekt heeft dat het kan toveren. Een uitverkorene die even achter de spiegel mocht kijken. Een Jedi die voor ’t eerst The Force voelt stromen.
Je pauzeert al je schermen. Het wordt plotseling muisstil en aardedonker in de woonkamer. Je zit daar maar. Alleen. En dan raakt een ijskoude gedachte je: Ik lig hier veilig onder een dekentje. Maar toch liet een podcast me vanochtend zweten van angst. Een dom bericht liet me een klasgenoot ontwijken. En een zinnetje in mijn eigen hoofd verlamde mijn hand.
Verhalen zijn niet alleen entertainment, of afleiding. Als de wereld echt daar búíten is, logisch en stevig ... hoe kunnen onzichtbare woorden dan zo genadeloos inbreken in mijn veilige lichaam? Hoe komen ze binnen? En nog belangrijker ... wie zit er daarbinnen eigenlijk te luisteren?
Rood
Je voelt je nu vast en zeker als Alice ... starend in het konijnenhol. Welkom in Wonderland. Of ... meer specifiek: welkom bij de commentaartrack van de auteur.
Jullie zijn naturlijk piepjong, dus misschien hebben jullie nog nooit gehoord over deze bizarre functie van dvd-spelers. Maar voordat je streamingdiensten had, staken de mensen schijfjes in zo’n apparaat dat met een draad aan je televisie vasthing en — nadat men je dan om het hoofd sloeg met weetjes zoals dat je geen tasjes steelt en geen auto’s , verscheen er een film op het scherm. Die schijfjes kon je in één keer voor ‘t leven kopen, en ze bevatten vaak extra’s zoals dus alternatieve audio van de maker waarbij die commentaar geeft op het eigen werk.
Heel populair bij de liefhebbers, maar vooral ook uitstekend studiemateriaal voor iedereen die zelf filmmaker wilde worden.
In deze commentaar neem ik je mee achter de spiegel in de wonderlijke wereld van wat ik geloof dat de esstentie vormt van dit vage, vaak pretentieuze woord storytelling.
Laten we eens kijken naar ons verhaal. Druk op de pauzeknop en observeer. Misschien niet zo toevallig beginnen we met een droom. Of ja, in het begin weet je niet eens dat het een droom is. Het is bewust heel eclectisch geschreven. En toch is er een duidelijk oorzaak gevolgverband aan alles wat je leest. Maar ik geef niet zomaar alles cadeau.
En net dat, is de eerste grote les rond verhalen. Verhalen ... structureren de informatie op een manier die voorspellen aanmoedigt.
Ik weet nog goed toen we destijds op scoutskamp onze leden (Jonggivers (12 tot 14j)) een pot choco hebben voorgelezen. Ingrediënten. Calorieën. En dat allemaal met de intonatie van een spannende soap. Wij met de leiding vonden dat hilarisch, maar de leden vonden er terecht helemaal niks aan.
Trouwens, heb je ‘t gezien?! Ik schrijf ‘onze leden’ en meteen kan je als lezer afleiden dat ik in dit verhaal al leiding was. Ook dát is de magie van verhalen in actie. Als publiek herken je patronen en ga je voorspellen wat volgt. En zo, ben jij meer betrokken bij mijn informatie dan eender welke pot choco ooit voor elkaar kreeg.
Even terug naar de droom. Ik zet je als schrijver voortdurend op het foute been. Dat maakt het spannend. De eerste alinea beschrijft een beeld van tikkende (stations, maar dat weet je nog niet zeker op dit moment)klokken. Wijzers die als een schaar je lot in hun ‘hands’ houden. Filmische slow motion effecten, de associatie met een vlieg die alles in slow motion ziet. Ik gebruik heel bewust herkenbare beelden en publieke kennis om mijn verhaal te verrijken. Dat geeft je als lezer een gevoel van herkenning. En als je ‘t meent te herkennen weet je al wat er volgt. En daar kan ik weer mee spelen. Schrijven is vertellen en vertellen is spelen. Je speelt met verwachtingen. Je probeert dingen uit en kijkt wat werkt.
Ik wist natuurlijk al lang dat we in een droom zitten en dat je loopt, maar die informatie stel ik hier voor dramatisch effect zo lang mogelijk uit. Ik heb niet heel dit verhaal al op voorhand in mijn hoofd, maar ik heb een notie van de richting die ik op dat moment uit wil. Namelijk: een absurde droom beschrijven die heel logisch en realistisch aanvoelt tot vlak voordat je wakker schrikt.
In alinea 2 beschrijf ik een vermoeid lichaam dat de laatste honderd meter sprint. Ik gebruik visuele taal zodat jij als lezer ziet wat ik zie. En ik gebruik grote, overdreven woorden. Minuscuul ... en enorm en majestueus. Om er echt maar een paar te noemen. Allemaal ook geen evidentie, want woorden betekenen heel andere dingen voor verschillende mensen.
Ondertussen onthul ik steeds meer van de situatie. Je weet nu dat ons hoofdpersonage richting een doel rent, angstig dat die ‘t niet zou halen. Doelen zijn heel belangrijk in verhalen. Als een personage iets wilt, kan een lezer immers beter inschatten wat die wel of niet zou doen. Doelen geven een riching. Iets waar een personage naartoe werkt. En dat helpt weer met het voorspellen.
Dan volgt er een alineaatje dat ik wellicht beter zou weglaten. Een compleet futiele innerlijke monoloog van iemand die — de wanhoop nabij — zichzelf afvraagt waarom die in vredesnaam zo aan het lopen is en wat die hoopt te bereiken. De vage Clouseaumop, en de verwijzing naar de Griekse Mythe van Pandora zijn cadeautjes voor attente lezers met wat culturele bagage. Als ik heel streng voor mezelf zou zijn, kon ik zeggen: ‘kill your darlings’. de alinea vertraagt en verwart zonder veel bij te dragen aan het grote geheel.
Anderzijds kan ik er nu over schrijven net omdát ik ‘m heb geschreven. En je wilt ook niet altijd alles super duidelijk maken. Soms is de verwarring tussendoor deel van jouw creatieve vrijheid als auteur. Maar de universele krachten van Orde en Chaos gaan veel verder dan deze les ons ruimte geeft dus ik rond deze omweg even voor je af.
De droom is nu ten einde. Waarom heb ik net een droom gekozen om dit verhaal te beginnen? Goh, veel redenen. (en al die redenen samen maken mijn verhaal gelaagd, en dus extra interessant.) Ten eerste herinner je je misschien de verwijzing naar Alice in Wonderland helemaal aan het begin van dit rode verhaal. Misschien herken je het zinnetje zelfs uit The Matrix waar een mentorpersonage letterlijk Morpheus (de Griekse god van de dromen) heet. Plus, Alice leert aan het einde van haar avontuur in Wonderland dat ze het allemaal maar gedroomd had. Of toch niet? Wat als je nooit meer uit je droom kon ontwaken, zou je dan begrijpen wat realiteit was en wat de droom was? Diep. En ... ook uit the Matrix. Een andere beroemde metafoor uit die film zijn de twee gekleurde pillen die Morpheus, de uitverkoren hoofdrolspeler Neo aanbiedt. Niet toevallig blauw en rood. Blauw is de illusie, het verhaal. En rood is de échte wereld. Twee lensen waardoor jij nu kijkt om deze twee verhalen te lezen. Moraal van dit verhaal: perceptie is een illusie.
Kijk, in zijn wereldberoemde boek Deviate schrijft neurobioloog Beau Lotto dat wij mensen evenmin toegang hebben tot de werkelijkheid dan een computer. Alles wat we weten is op een bepaald moment ons hoofd binnengekomen via onze zintuigen. Daar hebben ervaringen en stukjes informatie zich verenigd tot verhalen en modellen waardoor we de wereld rondom ons begrijpen. Orde in de chaos. Zintuigen zijn voor een mens wat toetsenborden en computermuizen voor computers zijn. Een vorm van input. Alles wat doen is voorspellen. We voorspellen dat de grond niet gaat verdwijnen onder onze voeten. We voorspellen sociale interacties. We voorspellen dat iemand gaat liegen tegen ons. We voorspellen en we kijken of onze voorspelling uitkomt. Dromen spelen hierin een heel belangrijke rol. Het is je brein dat losse stukjes informatie van de dagen ervoor sorteert en besluit wat mag blijven en wat moet worden vergeten.
Wij hebben met andere woorden geen rechtstreekse toegang tot de wereld rondom ons. Jouw hele wereld wordt gevormd door een onbetrouwbare verteller in een kluis van bot; jouw brein in jouw schedel. En als je dát begrijpt ... heb je de sleutels in handen om die realiteit te bewerken. Niet alleen in jouw hoofd, maar ook in dat van anderen. Verhalen zijn als toverspreuken waarmee je allerlei zaken kan laten gebeuren.
Alle verhalen bouwen dus voort op een cultuur van eerdere verhalen. Mijn verhaal o.a. op The Matrix, die voortbouwt op Alice In Wonderland van Lewis Carroll, die allemaal voortbouwen op de alegorie van de Grot van de Griekse filosoof Plato. Geen toegang tot de werkelijkheid. Verhalen zijn de bril waardoor we kijken. Orde in de chaos. Verhalen geven een voorspelbare causale structuur. En net die structuur maakt het spannend om het verhaal te volgen. Want als lezer of luisteraar speel je voortdurend mee de hoofdrol.
Wij denken in verhalen. Vormen verhalen als we iets moeten verklaren. Of als we anderen willen beïnvloeden. Neen, ik ben niet te lang blijven gamen bij mijn vriend. Zijn ouders boden me allerlei gerechten aan uit hun cultuur en ik wilde niet onbeleefd zijn. Nee ik ben niet vergeten mijn huiswerk te maken. Het lag gewoon aan ... die honden hier in de buurt. Ze hebben naast een appetijt voor postbodebillen ook een onverklaarbare dorst naar tienerhuiswerk. Plus, deze week is mijn oma gestorven. De zesde al. En als ik volgende maand spijbel sneuvelt misschien zelfs mijn zevende.
En dat ... brengt ons bij een tweede punt: verhalen als kunstmatige empathie. Wij mensen zitten vol ‘spiegelneuronen’. Eenvoudig gezegd, hersencellen waardoor wij kunnen meeleven met onze soortgenoten, met dieren, zelfs met een bureaulamp of een niet bestaande persoon op papier. Als je in een verhaal in herkenbare, voorspelbare details hoort dat iemand die beide benen verliest dan voel je als lezer mee de fantoompijn. Als je over euforie leest word je zelf tijdelijk gelukkig. Als een personage op tv in gevaar is voel je de koude rillingen op jouw eigen rug. Als iemand vertelt over onrecht dat hen is aangedaan voel je de frustraties in jou ook opborrelen. En da’s toch echt ongelofelijk!
Dat werkt trouwens ook in de omgekeerde richting. Als je iets droevigs moet schrijven, luister droevige muziek of lees een droevig verhaal. En als je boze muziek luistert terwijl je schrijft ga je kwader schrijven.
Biologen weten inmiddels dat bepaalde apen en vogels specifieke geluiden produceren voor elk type gevaar dat eraankomt. En dat de soortgenoten de klanken herkennen zodat ze elkaar kunnen waarschuwen. Maar wij mensen kunnen een gebeurtenis helemaal opnieuw laten gebeuren in de hoofden van een andere mens; inclusief de gevoelens!
Sterker zelfs. We kunnen verhalen verzinnen die compleet niet hebben plaatsgevonden. We kunnen verhalen verzinnen voor het slapengaan. of bij het kampvuur. Of geruchten verspreiden zoals pizza gate. Zelfs roddels de wereld insturen die een heel leven kunnen verwoesten.
Verhalen zijn een vorm van sociale controle. Wie de verhalen controleert bepaalt de realiteit. Kijk naar sprookjes. Roodkapje is een oeroude vertelling over louche figuren die je niet blind mag vertrouwen. Dit horrorverhaal vertelt in geuren en kleuren vertelt vreselijke dingen je kunnen te wachten staan als je de Epsteins en R. Kelly’s van deze wereld in je leven laat. Aladdin gaat over jezelf zijn in plaats van je anders voor te doen. De Kleine Zeemeermin is voor velen een verhaal over uit de kast komen. Zéker sinds de Disneyfilm uit 1989 van Howard Ashman en Alan Mencken.
Of kijk maar gewoon naar ‘de media’, te beginnen bij journalisten en nieuwsredaties. Die mensen hun hele job is de grote en kleine gebeurtenissen in de wereld hervertellen op een manier die een agenda dient. Die van hun aandeelhouders, van politici, van adverteerders, van individuele schrijvers of gewoon van de wetten van vraag en aanbod want het spreekt voor zich dat wie veel kranten wil verkopen best voor populaire verhalen en eenvoudige voorstelingen kiest.
Of kijk naar reclame. Hoe een goed verteld verhaal je hele idee over iets compleet kan veranderen. En bedrijven flink betalen om hoe ze overkomen bij anderen te beïnvloeden. Hoe merken hun eigen verhaal mengen met de hoop en dromen van de massa. En hoe ze beroep doen op herkenbare symbolen en verhalen om hun producten te verkopen.
Zowel de media-, entertainment- als de reclamesector zijn miljardenindustrieën. Niet toevallig ook zeer gewild door de grote techbedrijven.Wat ons dan weer eventjes naadloos brengt bij die mensen hun meest recente obsessie: taalmodellen en A.I.
Net als jij zijn taalmodellen voorspelmachines die orde proberen te scheppen in de chaos. Zij hebben toegang tot zeer veel teksten die mensen hebben geschreven en een haast eindeloos geheugen. Jij daarentegen hebt een heel eigen leven. Jij kan voelen, en waarnemen en observeren zonder de clichés van de computers te hoeven gebruiken. Jij hebt geen wiskundige formule nodig om te weten of iets goed is. Jij gebruikt geen cijferscores en coördinaten voordat je een idee formuleert. Dus verwar die machine niet met een mens. Probeer niet een betere machine te zijn. Anderzijds zijn de machines letterlijk op hoe onze breinen werken gebaseerd. De machine probeert een betere jou te zijn. Maar omdat de machine alles voor iedereen tegelijk moet zijn is dit voor haar een onmogelijke taak.
Waar waren we? Oh ja. Verhalen als sociale controle. Wie de verhalen vertelt bepaalt de realiteit. Zelfs de oh zo rationele wetenschap is een sector die handelt in verhalen. We zagen dit fenomeen en dachten [x] dus maakten we een test. Maar die test leerde ons dat [x] eigenlijk [y] is. Dus is alles wat we dachten te weten over [x] feitelijk onjuist.
De moeilijkste vragen en de grootste verhalen vind je terug in de filosofie en religie. Wat is de aard an goed en kwaad? Waarom bestaan wij? Waarom is het leven soms zo pijnlijk? Hoe kan ik een deugdig leven leiden? Wat voor duistere magie is liefde? Wat zijn de belangrijkste waarden om in mijn leven te hebben? Hoe beïnvloedt de economie onze keuzes? En hoe beïnvloeden onze keuzes de economie?
Alle goede verhalen hebben een soort van onderliggende wijsheid. Een conclusie. Een moraal. Iets om mee te nemen als de verteller is gestopt met vertellen. En heel vaak beginnen we te schrijven vanuit deze conclusie. Wat wil ik mijn publiek meegeven? Hoe wil ik hen doen denken? Welke ideeën wil ik weerleggen? En dan bouw je rondom dat idee een wereld, een personage door wiens ogen ze kunnen kijken, enz.
Maar let op! Wij nemen al eens verkeerdelijk aan dat mensen rationeel denken. En dat we met nieuwe informatie tot andere conclusies kunnen komen. Maar talloze wetenschappers en filosofen beschreven een fenomeen genaamd de ‘confirmation bias’. We zullen feiten zoeken die in ons verhaal passen. Niet: ons verhaal aanpassen als er nieuwe feiten opduiken. En áls we toch geconfronteerd worden met nieuwe informatie zullen we ze zo draaien dat ze perfect past in het verhaal dat wij geloven.
En ja, ook bij wetenschappers is er veel confirmation bias. Hele theorieën die niet worden aangenomen omdat we liever in ons eigen sprookje blijven geloven.
En zo komen we aan bij het laatste niveau. Verhalen als identiteit. Wat mensen geloven over zichzelf bepaalt hun toekomst. De student die gelooft geen talenknobbel te hebben, of geen talent voor wiskunde zal wellicht nooit uitblinken in die vakken. Talloze experimenten bewijzen dat zelfs onverdiende complimenten mensen hun levens totaal kunnen veranderen.
Identiteit is een wapen. Je kan vapes of sigaretten afwijzen omdat je ‘probeert te stoppen’. Of je kan zeggen “nee bedankt, ik ben geen vaper (meer).” Wie denk je heeft meer kans om effectief te stoppen? Je kan zeggen: “ik moet elke dag schrijven, pfff.” Of je kan zeggen “ik ben een schrijver, dat is wat ik doe.” Wie heeft er meer kans om ooit een roman te schrijven, denk je?
Maar let op, dit wapen kan zich ook tegen je keren. Als jij jezelf bijvoorbeeld een schrijver, of een atleet noemt wil je bevestiging van anderen. Je hunkert naar hun goedkeuring. Je vergelijkt jezelf met andere, succesvolle schrijvers. En die gedachten zijn vergif. Je wordt diep onzeker. En je identiteit voelt als een gevangenis. Meer daarover later.
Mensen met een dezelfde identiteit (of gemeenschappelijke delen) voelen zich verbonden. Denk aan landen, religies, naties, rassen, genders, werkgevers (bedrijfsculturen), hobby’s, of zelfs welke merken je draagt en wie je volgt op je socials. Wij willen allemaal bij één of meerdere stammen horen.
De lijm die deze individuen verbindt zijn waarden en normen. En deze worden gecommuniceerd met, onderbouwd door, versterkt via ... je raadt het al: verhalen.
Geschiedenis is een vorm van groepscontrole. Een vormen van gemeenschappelijke verhalen die mensen verbinden onder één vlag. Vaak met de beste bedoelingen. Nieuwsgierigheid naar ons verleden. Soms ook om onze eigen ideeën over de wereld nu of hoe die volgens ons zou moeten zijn extra kracht te geven.
Dit kan ook gedeeltelijk of complete fictie zijn. Zoals de gloriedagen van het Arische ras waarop fascisten (en vooral nazi’s) zich beroepen. Of de Mare Nostrum van Mussolini. Of de Greatness van het Amerika in de hoofden van Trump-aanhangers. Da’s ook waarom het zo strafbaar is om de Holocaust te ontkennen. Het verhaal vormt de realiteit. “Als de Holocaust niet zou hebben plaatsgevonden waren die Nazi’s zo slecht nog niet. En dus moeten ze misschien terugkomen.” Oppert de Oostfronter met tranen van weemoed in z’n ogen. Maar ook aan de andere kant van het politiek spectrum vinden we verhalen terug die bepalen hoe we naar de wereld en onszelf kijken.
Bijvoorbeeld hoe we vandaag kijken naar ons koloniaal verleden. En een oogje toeknijpen voor landen die momenteel exact hetzelfde doen. Hoe we de gruweldaden van één politicus veroordelen, en een groep strijders verheerlijken.
Politiek is één en al verhalen. Eender welk debat is feitelijk de botsing van twee of meer tegengestelde narratieven, en mensen die elk vurig geloven in hun verhaal. Kortom wie de verhalen in mensen hun hoofden beheerst controleert dus de realiteit. Ook over onszelf en anderen.
De vraag is nu je dit allemaal weet wat je met die kennis doet. Wil je leren toveren? Of wil je zo snel mogelijk terug naar je onwetendheid? We zullen het deze maand ontdekken ...